Criteria Drank- en Horecawet

Er zijn enkele criteria die van belang zijn bij de vraag of de Drank- en Horecawet van toepassing is of niet. Allereerst dient er sprake te zijn van bedrijfsmatige verstrekking van alcohol. Het onderscheid "bedrijfsmatig" of "niet-bedrijfsmatig" valt niet samen met de vraag of een inrichting "open" dan wel "besloten" is. Als een besloten inrichting dient te worden aangemerkt een inrichting, waarin als regel besloten bijeenkomsten worden gehouden. Als zodanig zijn aan te merken bijeenkomsten, niet toegankelijk voor derden, waarbij tussen de bezoekers een duidelijke en min of meer duurzame band bestaat. In het algemeen is hiervan sprake indien de groep bezoekers duidelijk is gedefinieerd, bijvoorbeeld door middel van een lidmaatschap en de inrichting niet open staat voor derden. Voorts dient er sprake te zijn van alcoholverstrekking anders dan om niet, ofwel tegen directe of indirecte betaling.
Van indirecte betaling is sprake als er bijvoorbeeld een entreeprijs wordt gevraagd, waarna de alcoholhoudende drank vervolgens gratis wordt verstrekt. Tot slot dient er sprake te zijn van het verstrekken van alcoholhoudende drank. Van verstrekken van alcoholhoudende drank kan slechts sprake zijn wanneer de opzet van de betrokkene erop is gericht dat een ander alcoholhoudende drank verkrijgt. Het begrip verstrekken gaat dan ook verder dan het begrip verkopen.

Verkoop van alcoholische dranken in gesloten verpakking voor gebruik elders dan ter plaatse

De Drank- en Horecawet bevat een verbod op het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank aan particulieren voor gebruik elders dan ter plaatse anders dan in een slijtersbedrijf. Dit betekent dat de verkoop van bijvoorbeeld bier- of wijnpakketten buiten een slijterij niet is toegestaan. Op dit verbod bestaan drie uitzonderingen, waaronder bijvoorbeeld supermarkten of sommige snackbars. Voor wat betreft sterke drank geldt een strenger regime, dat mag alleen worden verkocht in slijterijen; uitzonderingen daarop zijn er niet.